LEIDEN – De zestiende aflevering uit de serie Kroonjuwelen. Dit keer de kroon van de Molukken: de Sagopalm (Metroxylon sagu).

Door Norbert Peeters
Hortus botanicus Leiden

De Sagopalm, Metroxylon sagu

“Myn moeder had veel broots, eer dat ik was gebooren,
Na myn geboorte-dag heeft s’al haar goet verlooren:
Wat vaartje wint, en moertje spaart, het kint verteert;
Raad wat boom dat ik ben, en weet gy ’t niet, zoo leert.”

sagopalm Metroxylon sagu

 

Het bovenstaande raadselrijmpje is afkomstig uit het Amboinsch Kruidboek van Georg Rumphius. Het ‘broots’ uit de eerste regel verwijst naar het voedzame merg dat zich in het binnenste van deze boom bevindt. Om dit merg te oogsten, wordt deze geveld en in de lengte in tweeën gespleten. Maar zoals het rijmpje luidt moet het kappen wel op tijd gebeuren.

Kroonluchter

Na ongeveer veertien à vijftien jaar begint de boom eenmalig te bloeien en verandert het voedzame merg in grove oneetbare draden. Daarom is het zaak de boom tijdig te kappen, voordat al het opgespaarde voedsel wordt verbruikt voor de bloei en vruchtzetting, en de boom sterft. Maar zou de mens de boom ongemoeid laten dan zou de natuur haar belonen met een gigantische bloeiwijze, die als kroon uit de kruin ontspruit. Deze bloeiwijze heeft volgens Rumphius iets weg van een grote kroonluchter die je aantreft in ‘Kerken of Paleyzen’. En, weet je het al? Het antwoord op het raadselrijmpje is de echte sagopalm (Metroxylon sagu).

Maaltijd

Op de Molukken is niet rijst maar sago het hoofdbestanddeel van de maaltijd. Het oogsten van sagomeel is geen eenvoudige opgave. Sagopalmen groeien niet op plantages maar in ‘slyk of wateragtige’ moerassen. Ook het kappen is een zware klus omdat de basis van de sagopalm bezet is met ‘doornagtige takken’.
Zodra mannen de palm vellen, kloven zij deze terplekke in de lengte met gebruik van wiggen. Vervolgens schrapen zij met een ‘dissel van Bamboes’ het ‘wit, vogtig, en spongieus merg’ uit de stam en verzamelen het sagozaagsel in een grote trog (Coeroerong). Hierin mengen vrouwen het zaagsel met water en kneden het tot de meel losweekt uit de vezels. Daarna scheppen zij het zuivere sagomeel over in een ‘praauw’ (kano) die gevuld is met water en dienst doet als zinkbak.
Nadat het meel is bezonken stroomt het water via een afvoer in de wand weg en wordt het sagomeel naar het dorp vervoerd in manden gevlochten van sagoblad (een forse sagopalm levert zo’n driehonderd kilo meel op). Aldaar wordt het meel gedroogd en gezweefd, en in zogeheten ‘sagobroodjes’ geperst. Deze broodjes zijn lang houdbaar en dienen als hoofdingrediënt voor bijvoorbeeld pap, koeken of broden.

Lekkernij

Ook de afvalresten van een geslaagde oogst komen goed van pas. Zo ontdoen de inlanders de meterslange bladeren van het blad en laten de bladnerven (Gabba Gabba) drogen om te gebruiken in de constructie van huizen. Hierdoor lijken de huizen van buitenaf ‘als of ze van groote orgelpypen waaren opgezet’.
Ook het zaagsel komt van pas als veevoer voor dieren of als voedselbodem voor paddenstoelen en een andere plaatselijke lekkernij: ‘dikke, vette, gerimpelde en witte wormen’, of de larven van de palmkever (Rhynchophorus). Een voor een rijgt men deze aan een ‘speetje’ om ze te braden boven een vuurtje.

sagopalm Metroxylon sagu

 

Raadsel

Het vreemde is volgens Rumphius dat deze larven niet alleen groeien en verpoppen in afvalresten van de sagopalm, maar ook in het merg van nog levende exemplaren worden aangetroffen. Dit stelt Rumphius voor een raadsel. Bij nadere inspectie kan hij geen opening, ingang of voetstappen bespeuren die de kevers toegang geven om eitjes te leggen in een levende boom.
Dit zou de ‘nieuwe Philozophen’ (denk bijvoorbeeld aan de Delfste microscopist Antonie van Leeuwenhoek) volgens Rumphius voor een raadsel stellen. Zij ontkennen immers dat ‘eenige insecten uit verrotting zouden werden gegenereert’ en beweren dat alle insecten uit een ‘ey haar oorspronk moet hebben’.
Hoewel Rumphius belooft om hier verder over uit te wijden in zijn Amboinsche Dierboek is dit werk helaas verloren gegaan. Niettemin lijkt hij te geloven dat de larf van de zwarte palmkever voortkomt uit levenloze stof. Vandaag de dag is het haast niet voor te stellen dat natuurgeleerden zoals Rumphius enige geloofwaardigheid schenken aan spontane generatie. Maar in zijn tijd vindt de mythe van spontane generatie nog steeds aanhang in academische kringen.

Georg Everhard Rumphius (1627-1702) was een Duits militair, architect, geograaf en koopman. Hij geniet vooral faam voor zijn werk als botanicus faam. Hij verbleef 49 jaar op Ambon en is de auteur van Het Amboinsche kruidboek.

norbert peeters


Norbert Peeters
 is filosoof, archeoloog en schrijver. In 2016 werd zijn boek Botanische Revolutie, de plantenleer van Darwin genomineerd voor de Jan Wolkers-prijs.

GroenVandaag en Hortus botanicus Leiden hebben sinds 2017 een exclusieve samenwerking. Hortus Leiden zal een vaste rubriek op GroenVandaag verzorgen, waarin wetenswaardigheden over bloemen & planten uit Azië centraal staan. Aanleiding was de tentoonstelling Kroonjuwelen uit Azië die in 2017 in Hortus botanicus Leiden te zien is. De sagopalm is de zestiende aflevering.

[Foto’s: Hortus botanicus Leiden.
Intro-foto: Tuinen van Appeltern.]